Gastblog: Donkerroze wolken

Iets meer dan twee jaar geleden ging ik met knikkende knieën voor het eerst op kraambezoek. Mijn liefste vriendin A had een zoontje gekregen en dat moest gevierd. De baby was lief en leek in de verste verte niet op het paarsgekrijst verfrommeld geval waarvoor ik gevreesd had. De vader was gelukkig, het hospitaalpersoneel liet ons met z’n allen naar binnen en onze cadeautjes waren goedgekeurd. Om mijn vriendin maakte ik me geen zorgen. Als er iemand voorbestemd was om mama te worden, dan was het A. wel en ondanks de donkere kringen onder haar ogen leek het zachtjes kreunende bundeltje naast het hospitaalbed haar niet te veel last te bezorgen. Daar lagen ze dan: droommoeder met droombaby. Het scenario waar iedereen op gehoopt had. 

Een (veel te) lange tijd later stortte ze in, mijn vriendin. Maandvoorraden opgekropte frustratie, verdriet en onbegrip braken haar eindelijk de bek open. Ik weet nog altijd niet hoe het komt dat wij het niet zagen, hoe het komt dat wij er niet naar vroegen en hoe het zover is kunnen komen. Ik weet wel dat haar verhaal belangrijk is en dat ik het haar daarom, naar aanleiding van de recente berichten over postnatale depressie, hier laat optekenen.

Honderd handgemaakte geboortekaartjes en kraamcadeautjes, cakepops in alle kleuren, een perfect uitgekozen kruippakje voor de eerste dag. Op het moment dat we voor de deur van het kraamkwartier stonden voor de geplande keizersnede, hadden we alles voor mekaar. Ongeveer een uur later lag hij al in mijn armen. Zacht, mooi, rustig. Hij sliep de hele dag en liet zich alleen horen als hij honger had, zo vijf minuten elke vier uur. Een droombaby. Iedereen die langskwam, was in overdreven juichstemming. “Wat een lieverdje!” “Maar zo’n schatje! En zo rustig!” Hij ging van arm op arm zonder een kik te geven. Dat ik toch wel veel geluk had met zo’n wolk van een baby. Ik lachte iedereen toe en beaamde. Binnenin raasden de hormonen en emoties door elkaar. Verder op de gang hoorde ik baby’s uren aan een stuk krijsen en peperde mezelf in: “Je hebt geluk, meisje.”

De vierde dag in het ziekenhuis kon ik niet stoppen met huilen. Ik vroeg de verpleegster of ze hem even mee wilde nemen om bij de prematuurtjes te slapen. Ze hadden me de eerste dag verteld dat dat altijd mocht. De verpleegster keek verwonderd: “Maar mevrouw, hij is zo rustig?” “Ik kan niet meer”, huilde ik. Ze haalde haar schouders op en reed zijn bedje voor, de kamer uit. De baby in de kamer naast me bleef krijsen, maar zijn of haar mama hield het bedje wel aan haar zij. Ik walgde van mezelf. Waarom heb ik het er niet voor over? Wat voor een slechte moeder was ik?

Mijn man straalde van geluk. Mijn ouders, mijn vriendinnen fleurden op van zodra ze met de kleine man in contact kwamen. Het was dan ook een ontzettend lieve en rustige baby. Ik had geen enkele reden tot klagen. Dat zei ook de mevrouw van Kind en Gezin. Nog voor ze binnenkwam begon ze al dat hij toch wel het rustigste kindje was die ze kende. “Je hebt geluk, hoor, mevrouw! Bij anderen hoor ik soms het gekrijs tot buiten”, lachte ze. Op dat moment is je mond al gesnoerd. Je moet ongelooflijk sterk zijn om dan te durven zeggen: “Eigenlijk voel ik me niet zo goed.” Hoe ik me voelde, daar werd nooit naar gepeild. Rustig kind, gelukkige mama, nietwaar? Ik bestond niet meer. Niemand zag me. Niemand nam het voor me op.

Weken en maanden gingen voorbij. Het bleef een rustige baby. Na twee maanden sliep hij door, soms tot 9u ‘s ochtends. We gingen lunchen en dineren met hem. Toen hij 8 maanden oud was, namen we het vliegtuig naar Griekenland. Andere mama’s reageerden jaloers. “Dat zou ik met de mijne niet kunnen.” “Amai, jullie hebben wel heel veel geluk met zo’n baby.” Op Instagram niets dan geluk en mooie kiekjes. Maar overal nam ik een leegte met me mee. Was dat wel mijn kind? Waarom voelde hij als zo’n vreemde voor me? Wat deed die eigenlijk in mijn gezin behalve mijn relatie met mijn partner onder druk zetten. Waarom was hij daar nu toch elk uur van die dag?

Na een jaar bleef ik steeds vaker ik in de weekends in bed liggen. Moe, maandstonden, te veel gewerkt, hoofdpijn. Dan hoorde ik mijn man en de baby het huis uit sluipen om naar de speeltuin of de winkel te gaan. Ik voelde me opgelucht en slecht tegelijk. Wat voor een moeder doet dit nu? Waarom kan ik me niet opladen om met mijn eigen zoon bezig te zijn? Het liefst van al wenste ik hem weg. En als hij niet weg kon, dan ikzelf maar. En meteen met die gedachten kwam weer het schuldgevoel. Goede moeders denken dit niet.

Ik tuimelde door de donkerste plekken in mezelf. En als ik hem nu eens zou laten vallen, per ongeluk. Nee, dat niet. Dan zou ik mijn man verdriet doen. Dat wou ik niet. En als ik nu eens zelf tegen een boom zou rijden? Zouden ze me missen? Nee toch, ze kunnen het perfect alleen. Dat bewijzen ze elke dag dat ik er niet ben. Wekenlang zag ik overal kansen om het voor mezelf te stoppen. Thuis en op het werk werd ik een robot, die koel en berekend door het leven ging. Niemand mocht iets merken.

Mijn man begreep er niets meer van dat ik steeds langer in bed lag, en steeds vaker afsprak met vriendinnen. Ik probeerde aan te geven dat het me allemaal had overweldigd, dat ik vooralsnog geen liefde voelde, maar stootte steeds op hetzelfde antwoord: “Jij wou dit toch?” Mijn zoon keerde zich van mij af. De dagen waarop ik op de crèche binnenkwam en mijn kind begon te huilen omdat het zijn papa niet was die hem kwam halen, kan ik niet meer tellen. We zaten in een vicieuze cirkel, de -ondertussen- dreumes en ik. Ik voelde niets voor hem, en hij zag mij ook liever gaan dan komen. Een reorganisatie op het werk was de perfecte reden om elke avond langer te moeten blijven. Soms zag ik mijn zoon dagenlang niet. Ik miste hem niet. Het gevoel dat me dan toch uiteindelijk eens weer naar huis dreef, was schuldgevoel. En elke keer ik binnenkwam en man en kind zag genieten, voelde ik niets anders dan eenzaamheid. Ik was volledig onthecht.

Mijn zoon is nu twee jaar. Hij peutert amper en is nog steeds een lief en rustig kind. Nog steeds kijken andere ouders jaloers als ze horen hoe goed hij slaapt en hoe veel we met hem kunnen buitenkomen. Mijn gezin is ondertussen een puinhoop. Mijn man en ik zijn uit elkaar. Mijn toekomst is een mistbank. Hoewel het beter gaat tussen mij en mijn zoon, kan ik die twee jaar nooit meer goedmaken. Ik kan alleen hopen dat ik met mijn sterk geweten en verantwoordelijkheidsgevoel genoeg heb kunnen ‘doen alsof’ voor hem. Dat zijn hechting niet verstoord is. Sinds kort heb ik zelf de stap naar hulp gezet. Omdat ik het ook sinds kort pas goed besef. Als moeder van een droombaby heb je nu eenmaal niet een schare professionals achter je staan die op het minste reageren.

Dit is dan ook een oproep naar ziekenhuizen, Kind en Gezin, huisdokters en andere specialisten. Depressie kan ook moeders van droombaby’s overkomen. Als ook maar iemand wat verder had gepeild dan ‘slaapt hij goed’ en ‘huilt hij niet te veel’, dan had ik wellicht niet hier moeten belanden. De roze wolk bestaat slechts voor een kleine minderheid. Blaas ze niet op, en als ze er lijkt te hangen, doorprik ze. Als er een ding is wat moeders goed kunnen, dan is het doen alsof ze alles voor mekaar hebben. Don’t buy it.

(Guestblog by @avaneech)