liefde heeft klauwtjes

Of waarom ik gisteren met een opblaasbare zebra onder de douche stond.

catlady

Vanaf het moment dat ik kon spreken zeurde ik om een kat. Ik had nood aan een bontgenoot, een levend knuffelbeest, iemand waar ik al mijn geheimen aan kwijt kon zonder dat die de volgende dag op de deur van de meisjestoiletten geschreven stonden.** Een dier dat samen met me zou slapen, miniatuurversies van mijn outfits zou dragen en me overal zou achtervolgen. Ik wou Het Meisje Met De Kat genoemd worden, want als negenjarige was ik me immers nog niet bewust van de connotaties die zo’n bijnaam met zich meebrengt. Het maakte me niet uit welke kleur, stamboom of naam mijn kat had, ik wist dat we beste vrienden zouden worden. Ik en mijn kat, wij zouden onze boterhammen met elkaar delen en onze hartslag op elkaar afstemmen.

Na tien jaar gejammer besloten mijn ouders toe te geven aan mijn driften/hielpen ze een gezamenlijke vriend uit de nood wiens kat net gejongd had. Aangezien ik moest studeren voor mijn examen geschiedenis gingen zij samen een vierpotig vriendje voor mij uitzoeken – het dier moest tenslotte ook een tijd bij hen in huis leven. Mijn mama belde me vanuit de auto om te zeggen dat ze was gevallen voor een guitige zwartkop met een vachtkostuumpje en lange wenkbrauwharen. Maar dat er niet alleen letterlijk een staartje aan vasthing. De kitten die mijn mama had gekozen zou immers niet enkel mijn steun en toeverlaat worden; ze was dat al voor haar jongere zusje, een kleine tijger met het meest roze neusje van alle roze neusjes ter wereld. Door de telefoon heen hoorde ik de twee kittens op de achterbank piepen en ik piepte spontaan met mee.

Nooit in mijn leven ben ik zo zenuwachtig geweest. Ik heb al blind-dates gehad, afgesproken met Mensenvanhetinternet en gewacht op belangrijke telefoontjes, maar het uur dat mijn ouders nodig hadden om van de Kempen naar de stad te rijden waren de langste zestig minuten uit mijn leven. Ik was bang dat ze zich tegen mij zouden keren, dat ze zich aan mijn moeder zouden gehecht hebben en mij niet zouden zien staan. Toen onze bevende lichaampjes elkaar even later vonden wist ik dat mijn angst ongegrond was geweest.

Tussen mij, Mao en Mint gaat het goed, al jaren. We hebben het soort relatie opgebouwd waarin we elkaar verstaan bij elke stemverheffing. Ik weet waarom hun staartjes soms trillen en welke geurkaarsen ze verschrikkelijk vinden. Ik onthou waar ze graag gekrabbeld worden en zij vergeten op hun beurt waar ze absoluut niet mogen krabben. Een kat, lieve lezers, is gene (of net heel veel) kattenpis. Het laat overal haar achter, probeert desondanks dure sprays toch een territorium af te sproeien en ziet alles wat een klein beetje lijkt op een kattenbak als -u raadt het- een kattenbak. Het scherpt haar nagels niet aan de designkrabpaal uit dit millennium, maar aan het designzeteltje uit de jaren vijftig. Het weet drommels goed dat als het ‘s nachts op zielige wijze miauwt het verse tonijn krijgt, zoniet eet het alles wat het op haar weg tegenkomt om vervolgens fraaie hoopjes kots op het parket achter te laten.

Ja, er is heel wat veranderd sinds mijn katten werkelijkheid zijn geworden. Ik heb mijn visie moeten bijsturen en talloze ondergeplaste handtassen mogen wegsmijten. Ik heb hen al vaak verwenst, mijn katten, omdat ik er zeker van ben dat ze wéten dat ze sommige dingen fout doen, zoals het plassen tegen mijn decoratieve opblaaszebra, telkens opnieuw. Ik zie hen grijnzen (écht!) vanop de boekenkast terwijl ik hun ravage probeer te verwerken. Maar tegelijk weten ze als geen ander wanneer ik me slecht voel. Dan duwen ze hun harde kopjes als donzige pachycephalosaurusjes tegen mijn wang en likken ze bij elkaar mijn tranen van hun vacht. Ze maken me aan het lachen, telkens ze weer eens achter hun staart jagen,  naast de vensterbank springen of door de woonkamer achter een papiersnipper aan denderen. Ze smakken, slurpen, tuimelen en buitelen louter voor mijn plezier en hebben nog nooit een klauw naar mij uitgestoken. Mijn katten en ik, wij zijn een topteam. Nu moet ik hen enkel nog in de spelerstruitjes gewurmd krijgen.

** Noot: dat niet kunnen schrijven is een van de fijnste eigenschappen van katten. Anders ben ik zeker dat ik ooit eens na een lang weekend zou zijn thuisgekomen in een appartement waar ‘DOOD’ in uitwerpselen op de muur geletterd zou staan. (Ze zijn nogal kribbig).