Vannacht heb ik in mijn hoofd vijftien pagina’s geschreven over waarom ik niet meer schrijf. Het antwoord is simpel – omdat ik het niet meer kan. (Al klinkt dat na voorgaande bekentenis misschien wat tegenstrijdig.) Inmijnhoofdschrijven gaat echter best vlot. Ik vorm woorden, laat ze het uitvechten met mijn gepieker en ik hoef me geen zorgen te maken over of wat ik schrijf wel zinvol is. Zin-vol. Een simpele zin neertikken is al een ware veldslag, een leeg worddocument staat garant voor een paniekaanval. Elke keer de cursor flikkert lijkt hij te schreeuwen dat ik voort moet maken. Dat dit toch is wat ik altijd wilde?

Hij heeft gelijk, die vermaledijde cursor. Ik heb nooit iets anders willen of kunnen doen dan schrijven. Ik vulde mijn dagen, nachten, weekends en bankrekening met mijn kwinkslagen en nam mijn handen enkel van mijn klavier om af en toe in mijn vuistje te lachen. Daar zat ik met mijn droomjob, en zie mij hier nu zitten.

Het is immers helemaal niet gemakkelijk om in een schrijvend beroep niet meer te schrijven, dat had u vast wel geraden. Ik pers (hàh!) er af en toe wat woorden uit en brei nog regelmatig een discours dat ergens zijn weg naar het papier vindt, maar tevreden ben ik er niet van. Het lijkt alsof alles wat me vroeger zo weinig moeite kostte me nu de das om doet. Mopjes zijn krampachtig, de structuur is zoek en waar zinnen zich vroeger spontaan aanboden om te spelen moet ik er nu als een dolgedraaide kinderverzorgster achteraanhollen. “Ach, een writer’s block”, ik vòèl het u denken, maar er is meer aan de hand.

Wie immers haar hele leven lang teert op één capaciteit die familieleden en goede vrienden in een vergevingsgezinde bui wel eens ‘talent’ durven noemen, is alles kwijt wanneer dat kunnen plots wegvalt. Ik voel me een onbeschreven blad en kan zelfs niet meer grinniken om de ironie van deze metafoor.

Ik en schrijven, dat was meer dan een hobby, meer dan een beroep. Hoewel ik nooit iets noemenswaardig heb gepend voelde mijn gerikketik als een raison d’être, een roeping zelfs, na enkele glazen wijn. De zekerheid dat er iets was in het leven waar ik goed in was heeft altijd als reddingsboei gefungeerd. Het maakte me niet uit dat ik dom was, dat ik misschien niet zo sociaal, slank of sportief was of dat ik nooit naar de maan zou reizen: ik had mijn geschrijf.  Nu mijn vingertoppen op mijn slapen in plaats van op QSD KLM rusten lijkt mijn volledige identiteit te zijn weggevallen. Ik weet niet meer wie ik ben, wat ik doe en waar ik naartoe moet.

Misschien kon ik wel helemaal nooit schrijven en berustte alles waar ik vroeger mee scoorde op goodwill, “omdat ik immers nog zo jong was”. Wieweet ben ik helemaal niet gemaakt voor De Media en ben ik veel gelukkiger en competenter in een andere sector, maar waar dan? En wie ben ik ondertussen, in heel dit proces? Telt wat ik wil ook nog mee? Want ik wil blijven schrijven, ik wil gewoon mijn stem terug en als het even kan, ook mijn zelfrespect.

Noem het dus geen Writer’s Block, noem het een Ruby Block. (Niet Ruben Block, dames)

Ik zou u heel graag een Terminatoriaanse geruststelling willen bieden, maar ik weet niet of ik ooit helemaal “terug” zal zijn. Ik weet echter wel dat de enige weg om hieruit te komen voorwaarts is.

Bijgevolg verblijf ik, al aanmodderend,

Ruby,
uw dienaar met haar voeten in een plas zelfmedelijden

 

 

 

 

* Ik heb er lang over nagedacht om deze blogpost online te plaatsen, maar het niet-posten zou net alles wat ik irritant vind aan de huidige blogosfeer bekrachtigen. Niet alles is immers geweldig, fabulous en oh-my-god-hebt-u-dìt-gezien? Soms Vaak is het leven ook een gemene kuitenbijtster en dat mag geweten.